Baas in het 1 tegen 1 duel

Spelers die de baas zijn in het één-tegen-één duel, kunnen nog steeds het verschil maken. Teun de Nooijer en Lidewij Welten zijn de beste voorbeelden, maar ook Thierry Brinkman is vaak bepalend op basis van zijn techniek.” 

Onderstaand leggen wij uit hoe je spelers leert het één-tegen-één duel te winnen.

Spelers die een tegenstander kunnen uitspelen maken nog steeds het verschil. Dit ondanks dat de fysieke eigenschappen van hockeyers steeds belangrijker lijken te worden. Dat Teun de Nooijer en Lidewij Welten in dat kader als voorbeeld worden genoemd, zal niemand verbazen, maar bijvoorbeeld ook een fysiek kleine Thierry Brinkman kan het verschil maken.

Een tegenstander kun je op verschillende manieren uitspelen. Teun de Nooijer was met de bal razendsnel en lijkt zijn tegenstander gewoon voorbij te lopen. Lidewij Welten gebruikt een arsenaal aan schijnbewegingen. Thierry Brinkman is een meester in het zichzelf vrijspelen en heeft vervolgens een dodelijk neusje voor de goal. Drie verschillende spelers, die ieder op hun eigen manier een enorme waarde hebben voor hun ploeg. 

De spelers waar de doorsnee coach mee werkt hebben minder talent dan die drie, maar ook op hun niveau kunnen ze beslissingen forceren door hun tegenstander in het één-tegen-één duel de baas te zijn. Bied je spelers dus allerlei oefenvormen aan, waarbij ze hun tegenstander moeten uitspelen. Ze vinden dat niet alleen leuk, ze worden er ook betere hockeyers van.

Schoenveters
We onderscheiden in de oefenvormen drie verschillende situaties: de tegenstander bevindt zich recht voor de speler, de tegenstander komt van opzij, of de tegenstander loopt of staat achter zijn speler. 

Je kan de verschillende situaties in drie afzonderlijke blokken trainen. In een laatste blok komen dan alle situaties door elkaar heen aan bod. 

Begin altijd met de situatie dat je de tegenstander frontaal nadert. Drie aspecten zijn daarin belangrijk: de bal onder controle houden, snelheid en de beweging uitvoeren ruim om de tegenstander heen. Terwijl de speler op z'n tegenstander af dribbelt, hamer je erop dat hij/zij de bal aan de stick houdt. We beginnen uiteraard in een rustig tempo. Naarmate het dribbelen beter gaat, wordt de snelheid steeds meer opgevoerd.



Is de afstand tot de tegenstander ongeveer een meter, dan moet de passeerbeweging worden ingezet. De bal moet zijwaarts worden verplaatst richting de kant waarlangs de tegenstander gepasseerd wordt. Daarna moet de bal worden meegenomen, waarbij het eigen lichaam zich tussen de bal en de tegenstander wringt, zodat de bal wordt beschermd. Tenslotte wil je dat de speler schuin richting de oorspronkelijke looplijn beweegt, zodat de tegenspeler zich achter hem/haar bevindt (de deur dicht doen).

Pas in een volgende fase gaan we schijnbewegingen gebruiken. We beginnen met een dummy. Hierbij is het belangrijk dat de speler eerst een stukje meeneemt naar de andere kant dan waarlangs hij de tegenstander wil passeren. Beheerst een speler de dummy, dan gaan we verder met het trappetje, de drag en de omgekeerde dummy. Het mooiste, maar ook het moeilijkste, is als een speler de bewegingen in hoog tempo kan uitvoeren.

Ruimte
In het tweede blok wordt geleerd hoe een speler een tegenstander kan uitspelen die zich (schuin) naast hem/haar bevindt. Een oefenvorm die je veel kunt gebruiken is een één-tegen-één duel waarbij op twee verschillende doeltjes kan worden gescoord. Als de tegenstander naast je opduikt is het allereerst belangrijk om te weten hoeveel ruimte je hebt. Is je tegenstander niet al te dichtbij en wil je zijn kant op, dan kun je zo draaien dat je hem frontaal voor je krijgt. In die gevallen kan de speler gebruik maken van de bewegingen die we hiervoor beschreven hebben. Zit de tegenstander echter vlak naast je, dan heeft het weinig zin zijn kant op te draaien. De kans op balverlies is dan te groot. De speler moet dus bij de tegenstander wegdraaien, in de richting waar de ruimte ligt.



In deze oefenvorm keert het wegdraaien en ruimte zoeken veelvuldig terug. De blauwe speler speelt de bal naar de tegenstander en wordt direct daarna verdediger. Omdat de speler met bal zo snel mogelijk richting één van de doeltjes zal gaan, krijgt de speler direct te maken met een tegenstander van opzij. Het scoren van een doelpunt is het uitgangspunt van deze oefening, maar het leukste is dat spelers hun tegenstander helemaal doldraaien. Maak je tegenstander maar gek. 

Ooghoeken
Beheerst een speler het uitspelen van een tegenstander die vóór of náást hem opduikt, dan is het tijd voor de derde en moeilijkste situatie. Een tegenspeler die achter je staat, is voor veel spelers het lastigst. Je wilt weten waar hij/zij is, zodat je weet hoeveel ruimte en tijd je hebt voor je actie. Staat de verdediger ergens achter je, dan moet je je hoofd bijna 180 graden draaien om te zien waar hij precies is. De tijd die je daarvoor nodig hebt, kun je net tekortkomen voor een succesvolle actie. Als een speler zich aanspeelbaar wil maken, moet hij/zij dus niet in een rechte lijn van de tegenstander weglopen, maar schuin. Vanuit zijn ooghoeken heeft hij/zij zo zicht op de positie van zijn verdediger, zodat de speler weet langs welke kant hij/zij de meeste ruimte heeft om te passeren.”

Bij deze oefening is het de bedoeling dat een speler zich aanbiedt, de bal niet aanneemt maar direct bij zijn tegenstander wegdraait en vervolgens scoort door over een lijn te dribbelen. Begin gelijk met een actieve in plaats van passieve verdediger, zodat de speler die de bal ontvangt geconfronteerd wordt met een wedstrijdechte situatie. Let op een aantal zaken. Allereerst op het juiste moment van vrijlopen. Voor een goede vervolgactie is het van belang dat een speler bij ontvangst van de bal zoveel mogelijk ruimte heeft. Bij het wegdraaien is het belangrijk dat ze de richting kiezen waar de meeste ruimte ligt.

Deze oefening kan je gebruiken in verschillende variaties. De ene keer staat de verdediger recht achter de aanvaller, de andere keer meer schuin, waarbij de aanvaller gedwongen wordt om een bepaalde kant te kiezen. Ook kan je de aanvaller de mogelijkheid bieden om te scoren op een doel in plaats van via een lijndribbel. Op doel schieten maakt de oefening voor de meeste hockeyers nét wat leuker.

Recht van aanval
De drie verschillende situaties met betrekking tot het één-tegen-één duel kan je samen laten komen in een partijvorm op één doel, waarbij twee ploegen pas kunnen scoren nadat ze het recht op aanval verkregen hebben.  Een team kan pas scoren als ze de bal eerst via een neutrale speler (of de trainer) in de ploeg hebben gehouden. Die neutrale speler staat tegenover het doel, waardoor ze als het ware eerst terug moeten naar eigen helft. In deze vorm wemelt het van de één-tegen-één duels, waarbij tegenstanders frontaal, van de zijkant en van achteren komen. Zo goed als De Nooijer, Welten of Brinkman zullen je spelers niet worden. Maar door het geleerde zoveel mogelijk in de praktijk te oefenen, worden ze vanzelf betere hockeyers.


Over de schrijver
Wij maken trainers, coaches en spelers veel beter.
Reactie plaatsen