Het coachwoordenboek

Communicatie is het belangrijkste onderdeel in de relatie tussen een trainer, coach en de spelers. Om dezelfde taal te spreken is het nuttig om te werken met een coachwoordenboek. In dit artikel leggen we uit hoe je dit in een jeugdopleiding in kan zetten.

In het jeugdhockey moet vooral veel gehockeyd worden en bestaat de training voor een groot deel uit spelvormen. Deze spelvormen spreken niet alleen tot verbeelding maar nodigen spelers ook uit om te trainen en te spelen zoals dat in de wedstrijd ook gebeurt. Trainers en coaches proberen hun spelers te helpen door dingen aan te reiken tijdens trainingen en wedstrijden. Deze coaching is belangrijk om spelers bewust te maken van de technische en tactische aspecten van het hockey. De manier waarop trainers en coaches spelers begeleiden is in grote mate bepalend of de coaching daadwerkelijk binnenkomt. Vaak hoor je bij de jongste spelers al termen als “knijpen” of “rugdekking”. Terwijl spelertjes van 7 of 8 jaar dit echt niet begrijpen.

Het begeleiden en coachen moet worden aangepast aan de leeftijd en belevingswereld van de spelers. Dat betekent dat de termen en woorden moeten worden aangepast. Alleen dan begrijpt een speler wat er bedoeld wordt en er ook echt iets mee kunnen doen.

Bij een F-je heb je het als trainer dus niet over “hoog druk zetten” maar over het “snel afpakken van de bal. Terwijl je bij een A speler natuurlijk wel over “hoog druk geven” kan spreken. Spelers in de E spelen “samen”, terwijl de B het heeft over “positiespel spelen in de opbouw”.

Hockeytaal
Met het aanleren van bepaalde hockeywoorden en termen kun je in de jongste leeftijdscategorie gewoon beginnen. Het spelenderwijs hockeyen staat natuurlijk voorop, maar toch is het voor de jongste spelers duidelijk en herkenbaar als er steeds dezelfde woorden en termen vanuit de trainers en coaches komen. “Samen” is zo’n woord of “uit elkaar” een term. Op jonge leeftijd kun je spelers in hun belevingswereld dan toch leren om over te spelen of het veld groot te maken bij balbezit.

In de volgende leeftijdscategorie kunnen er dan weer andere coach-woorden en termen toegevoegd worden die passen bij de spelers uit die categorie. Op deze manier ontstaat er dan voor elke leeftijdscategorie een inhoudelijk en in taalgebruik op maat gemaakte hockeytaal die aansluit op eerdere jaren in de ontwikkeling van de speler. Belangrijk is dat spelers, zeker in de jongste leeftijd, niet overstelpt worden met coaching. De coachwoorden en termen moeten per jaar beperkt blijven. Als elk jaar vijf coachwoorden of termen toegevoegd worden, is dat meer dan genoeg. Op deze manier ontstaat een overzichtelijk coachwoordenboek.

Herhaling
Voor jonge spelers is het natuurlijk goed dat ze niet te veel na hoeven te denken en lekker vrij kunnen spelen. Na verloop van tijd herkennen ze de coachwoorden en termen en gaan ze deze vertalen naar hun spel. Als de spelers ouder worden en zich verder ontwikkelen gaan ze ook steeds meer en bewuster openstaan voor de coaching. De coaching verandert in de loop van de ontwikkeling van de spelers en wordt inhoudelijk steeds gedetailleerder. Zeker als het niveau hoger wordt. Ook in de woordkeuze van de trainer en coach komt dat natuurlijk naar voren.

Het gebruik van steeds dezelfde coachwoorden en termen in een leeftijdscategorie, zorgt voor herkenbaarheid en duidelijkheid. Op een gegeven moment begrijpt iedere speler waarover het gaat en gaat de woorden ook in de eigen coaching naar medespelers gebruiken. Je hoort dan een B-tje roepen naar een medespeler dat hij “tijd” heeft als hij de bal aangespeeld krijgt. Of een A speler die een bal in de ruimte wil krijgen roept “diepte” naar zijn medespeler die gaat passen.

Structuur in de jeugdopleiding
Binnen een jeugdopleiding ontstaat op deze manier duidelijkheid. Wanneer er samen bepaald wordt welke coachwoorden en termen per leeftijdscategorie gebruikt worden, is het voor iedere trainer en coach duidelijk waar hij/zij zich dat seizoen mee bezig gaat houden. Zeker voor trainers en coaches met minder hockeyachtergrond geeft dit houvast. Trainers en coaches weten ook wat er in de voorgaande jaren aan coachwoorden en termen is gebruikt en wat de spelers dus al kennen. De woorden en termen uit voorgaande jaren kunnen natuurlijk gewoon gebruikt blijven worden. De coach van de A kan bijvoorbeeld ook nog termen uit de B categorie gebruiken. Als de spits van de A in de dekking wordt aangespeeld en de bal beter kan kaatsen, dan kan er “kaats” gecoacht worden. Deze term is bijvoorbeeld in de B al aangeleerd. Door middel van het coachwoordenboek kunnen trainers en coaches in een eenduidige hockeytaal met elkaar communiceren.

Voorbeeld
Onderstaand een voorbeeld van een coachwoordenboek. Elke vereniging kan zich hierdoor laten inspireren en een eigen woordenboek maken en gebruiken rekening houdend met hun visie, doelstellingen en spelniveau.

F categorie

Tikken

Is de term die aangeeft dat spelers kunnen samenspelen

Pingelen

Geeft aan dat de speler de bal bij zich moet houden

Stop de bal

Probeer de bal aan te nemen

Zijkant

Betekent dat de bal naar de zijkant gespeeld moet worden

Bommetje

Geeft aan dat de spelers uit elkaar moeten gaan

E categorie

Andere kant

Het verplaatsen van de bal naar de andere kant

Actie

Passeer je tegenstander maar

In 1x

Direct passen of schieten

Jagen

Zet de tegenstander onder druk

Stick

Speel de bal in de stick van je medespeler

D categorie

Kaats

Speel de aangespeelde bal direct terug

Tijd

Betekent dat de speler tijd heeft om de bal aan te nemen

Groot/klein

Het groot of klein maken van het veld

In de rug

Geeft aan dat er iemand achter je staat

Breed

Betekent dat de speler aan de zijkant van het veld moet spelen

C Categorie

Diep

Er kan een dieptepass gegeven worden

Knijpen

Het meebewegen naar de kant van de bal

Druk op de bal

Zet de speler met de bal onder druk

Openen

Het verplaatsen van de bal naar de andere kant

Niet verliezen

Houd balbezit

B categorie

Balans

Geeft aan dat er altijd genoeg spelers achter de bal moeten zijn

Dwingen

Zo aanlopen dat de balbezitter maar 1 kant op kan

Bezetting

Alle posities voor de goal moeten goed bezet zijn

Eruit

De bal terug naar achter spelen en opnieuw met opbouw beginnen

Voor je man

Dek voor je tegenstander

A categorie

Hoog

Zet als team hoog druk op de tegenstander

Veldbezetting

Zorg dat alle posities in het veld bezet zijn

Kantelen

Het elftal schuift naar de kant van de bal

Doordekken

Het vooruit verdedigen op de bal

Overslaan

Niet de dichtstbijzijnde speler aanspelen meer 1 die verderop staat

Over de schrijver
Wij maken trainers, coaches en spelers veel beter.
Reactie plaatsen